Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 28 augustus 2019 en 3 september 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Raad van State, 15 oktober 2019

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
15 oktober 2019
Datum publicatie
15 oktober 2019
Zaaknummer
201906993/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:3462
E-mail

Samenvatting

Bij besluiten van 28 augustus 2019 en 3 september 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Uitspraak

201906993/1/V3.

Datum uitspraak: 15 oktober 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 september 2019 in zaken nrs. NL19.20267 en NL19.20797 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 28 augustus 2019 en 3 september 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 16 september 2019 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 28 augustus 2019 gegrond verklaard, het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 3 september 2019 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding toegewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft de vreemdeling bij de rechtbank een verzoek tot herziening van deze uitspraak in de zin van artikel 8:119 van de Awb ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek met toepassing van artikel 6:15 van de Awb aan de Afdeling doorgezonden.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    AIleen onherroepelijk geworden uitspraken zijn vatbaar voor herziening (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Omdat ten tijde van het verzoek tot herziening tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Raad van State openstond, is het verzoek tot herziening aangemerkt als een aanvulling op het door de vreemdeling ingediende hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Gemert

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2019

47-839.