Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 26 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 8 november 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
8 november 2019
Datum publicatie
8 november 2019
Zaaknummer
201907855/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:3785
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 26 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Procesgang

  1. Raad van State · 8 november 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2019:3785

  2. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:RBDHA:2019:11347

    Niet bevoegd

Uitspraak

201907855/1/V3.

Datum uitspraak: 8 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2019 in zaak nr. NL19.23641 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 25 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Karsten, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).

2.    Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.

3.    De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Annen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2019

765.