Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 30 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een…

Zaakgegevens

Op 21 november 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
21 november 2019
Datum publicatie
21 november 2019
Zaaknummer
201904315/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:3944
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 30 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Uitspraak

201904315/1/V2.

Datum uitspraak: 21 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister, nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 mei 2019 in zaak nr. NL19.10030 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 28 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat een nieuw besluit wordt genomen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.E.M. de Vries, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    Anders dan de vreemdeling aanvoert heeft de staatssecretaris belang bij zijn hoger beroep, omdat de uitspraak van de rechtbank de staatssecretaris verplicht de aanvraag in behandeling te nemen of de vreemdeling aanvullend te verzoeken om de aanvraag te completeren. Verder voldoet het hoger beroep, anders dan de vreemdeling betoogt, aan artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Uit het hogerberoepschrift blijkt tegen welke overweging in de uitspraak de staatssecretaris opkomt en op welke gronden hij dit doet.

2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Bosma

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2019

572-942.