Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 7 april 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging…

Zaakgegevens

Op 25 november 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
25 november 2019
Datum publicatie
26 november 2019
Zaaknummer
201901281/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:3961
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluiten van 7 april 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

201901281/1/V2.

Datum uitspraak: 25 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 januari 2019 in zaken nrs. 17/16438 en 17/16439 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 7 april 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluiten van 16 november 2017 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 januari 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.    Terwijl het door de vreemdelingen ingestelde hoger beroep in behandeling was hebben zij een doopakte en een identiteitsbewijs overgelegd. Deze documenten dateren allebei van vóór de aangevallen uitspraak. De vreemdelingen hebben niet toegelicht waarom zij deze stukken redelijkerwijs niet al in beroep hadden kunnen overleggen. Deze stukken kunnen daarom niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Borman    w.g. Fernandez

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2019

753.