Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot…

Zaakgegevens

Op 6 december 2019 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
6 december 2019
Datum publicatie
6 december 2019
Zaaknummer
201904839/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2019:4116
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2017

    ECLI:NL:RBOVE:2017:1178
  2. Raad van State · 6 december 2019deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2019:4116

    Niet ontvankelijk

  3. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:RBROT:2019:4429

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

201904839/1/V1.

Datum uitspraak: 6 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 29 mei 2019 in zaak nr. 18/4257 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 14 mei 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Logtenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3147). Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Helmich, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt    w.g. Helmich

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2019

827.