Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 23 december 2016 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de…

Raad van State, 13 mei 2020

Zaakgegevens

Op 13 mei 2020 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 mei 2020
Datum publicatie
13 mei 2020
Zaaknummer
201902049/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:1212
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 23 december 2016 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:RBGEL:2019:538
  2. Raad van State · 13 mei 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2020:1212

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

201902049/1/V2.

Datum uitspraak: 13 mei 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 februari 2019 in zaak nr. 17/13788 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 21 juli 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S.T.C. Rebergen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.    Op 22 november 2019 hebben de vreemdelingen eerst in hoger beroep een rapport van een door Verilabs uitgevoerd DNA-onderzoek van 20 september 2019 overgelegd. Gelet op het toepasselijke ex-tuncbeoordelingskader kan dat rapport niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

2.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2020

844.