Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 15 oktober 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 9 januari 2020 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
9 januari 2020
Datum publicatie
9 januari 2020
Zaaknummer
201909223/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:38
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 15 oktober 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2019

    ECLI:NL:RBAMS:2019:9793
  2. Raad van State · 9 januari 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2020:38

    Niet bevoegd

Uitspraak

201909223/1/V3.

Datum uitspraak: 9 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 december 2019 in zaak nr. NL19.29516 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 18 december 2019 heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.R.S. Ramhit, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).

2.    De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Vonk

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2020

345-846.