Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Zaakgegevens

Op 13 juli 2021 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 juli 2021
Datum publicatie
13 juli 2021
Zaaknummer
202103812/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2021:1499
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 juni 2021

    ECLI:NL:RBDHA:2021:6048
  2. Raad van State · 13 juli 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2021:1499

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

202103812/1/V2.

Datum uitspraak: 13 juli 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 juni 2021 in zaak nr. NL20.11390 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 9 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft nadere stukken overgelegd.

Overwegingen

1.       Wat de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, voldoet niet aan de eisen die de Vreemdelingenwet 2000 stelt (artikel 85, eerste en tweede lid, van die wet). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat heeft de vreemdeling niet gedaan. De rechtbank heeft in haar uitspraak betrokken dat de vreemdeling heeft gesteld in Duitsland te zijn mishandeld. Zij heeft ook uitgelegd dat door het ontbreken van een onderbouwing dit er niet toe leidt dat de asielaanvraag van de vreemdeling in Nederland door de staatssecretaris in behandeling moet worden genomen. De vreemdeling legt in zijn hogerberoepschrift niet uit waarom die uitleg van de rechtbank volgens hem niet juist is.

1.1.    In de brief van 30 juni 2021 heeft de Afdeling de vreemdeling gevraagd om toch nog uit te leggen met welk onderdeel van de uitspraak van de rechtbank hij het niet eens is en waarom dat zo is. Bij brief van 5 juli 2021 heeft hij van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Daarin herhaalt de vreemdeling zijn betoog dat hij in Duitsland is mishandeld. Dat is echter geen uitleg waarom de uitspraak van de rechtbank niet juist is.

2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kan geven over de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

w.g. Tibold

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2021

853