Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 19 april 2021 is de termijn van de bij besluit van 31 maart 2021 aan de vreemdeling opgelegde…

Raad van State, 5 augustus 2021

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2021 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
5 augustus 2021
Datum publicatie
5 augustus 2021
Zaaknummer
202104177/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2021:1765
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 19 april 2021 is de termijn van de bij besluit van 31 maart 2021 aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste drie maanden.

Uitspraak

202104177/1/V3.

Datum uitspraak: 5 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 juni 2021 in zaak nr. NL21.8601 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2021 is de termijn van de bij besluit van 31 maart 2021 aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste drie maanden.

Bij uitspraak van 23 juni 2021 heeft de rechtbank het door de vreemdeling daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De uitspraak van de rechtbank gaat over het verlengen van de maatregel van bewaring (artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.

2.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Omdat de rechtbank onder de uitspraak ten onrechte heeft vermeld dat hoger beroep kan worden ingesteld, moet de staatssecretaris de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;

II.       veroordeelt staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Hoogvliet

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Bechinka

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2021

47-907