Vreemdelingenrecht
Bij besluiten van 8 oktober 2021 is de vreemdeling een maatregel van ophouding voor gehoor opgelegd en heeft…
Raad van State, 8 december 2021
ECLI:NL:RVS:2021:2740 · Raad van State · 8 december 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2021-2740
Zaakgegevens
Op 8 december 2021 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 december 2021
- Datum publicatie
- 8 december 2021
- Zaaknummer
- 202106834/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2021:2740
Samenvatting
Bij besluiten van 8 oktober 2021 is de vreemdeling een maatregel van ophouding voor gehoor opgelegd en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hem in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 26 oktober 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
202106834/1/V3.
Datum uitspraak: 8 december 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15952 en NL21.16016 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 8 oktober 2021 is de vreemdeling een maatregel van ophouding voor gehoor opgelegd en heeft de staatssecretaris hem in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 26 oktober 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL21.15952 (ophouding)
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over de ophouding als bedoeld in het in hoofdstuk 4 van de Vw 2000 opgenomen artikel 50. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000). Dat onder de uitspraak ten onrechte staat dat wel hoger beroep kan worden ingesteld, verandert dat niet.
2. De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL21.16016 (bewaring)
3. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2021 in zaak nr. NL21.15952;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 oktober 2021 in zaak nr. NL21.16016.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Melse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2021
347-982