Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 27 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn besluit van 18…

Zaakgegevens

Op 21 december 2021 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21 december 2021
Datum publicatie
21 december 2021
Zaaknummer
202107353/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2021:2875
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 27 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn besluit van 18 maart 2020, waarbij hij de vreemdeling had opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, aangevuld. Bij besluit van 1 november 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Uitspraak

202107353/1/V3.

Datum uitspraak: 21 december 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 november 2021 in zaken nrs. NL21.17514 en NL21.17515 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2021 heeft de staatssecretaris zijn besluit van 18 maart 2020, waarbij hij de vreemdeling had opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, aangevuld. Bij besluit van 1 november 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 17 november 2021 heeft de rechtbank de tegen die besluiten door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep bevat namelijk nauwelijks concrete kritiek op het oordeel van de rechtbank. Wat in hoger beroep is aangevoerd slaagt daarom evident niet.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

w.g. Van Meurs-Heuvel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2021

47