Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Zaakgegevens

Op 2 mei 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
2 mei 2022
Datum publicatie
2 mei 2022
Zaaknummer
202103415/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:1269
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, en zijn verzoek om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 23 april 2021

    ECLI:NL:RBDHA:2021:15692
  2. Raad van State · 2 mei 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2022:1269

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202103415/1/V3.

Datum uitspraak: 2 mei 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 april 2021 in zaak nr. 20/2358 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, en zijn verzoek om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen.

Bij besluit van 24 februari 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling verwijst daarvoor naar haar uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3017, over het onderzoek en de beoordeling van de staatssecretaris bij een inreisverbod of ongewenstverklaring tegen een vreemdeling aan wie artikel 1(F), onder a, van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Steendijk

voorzitter      

w.g. Van de Kolk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2022

347-918