Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 8 maart 2022 heeft de staatssecretaris de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de…
ECLI:NL:RVS:2022:1381 · Raad van State · 11 mei 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2022-1381
Zaakgegevens
Op 11 mei 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 mei 2022
- Datum publicatie
- 11 mei 2022
- Zaaknummer
- 202202061/1/V3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2022:1381
Samenvatting
Bij besluit van 8 maart 2022 heeft de staatssecretaris de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 31 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Procesgang
Raad van State · 11 mei 2022deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2022:1381
Uitspraak · 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:1374(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
202202061/1/V3.
Datum uitspraak: 11 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 maart 2022 in zaak nr. NL22.4016 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 31 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De door de vreemdeling in zijn tweede grief opgeworpen rechtsvraag over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraken van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1274, ECLI:NL:RVS:2022:1275 en ECLI:NL:RVS:2022:1276. Uit die uitspraken volgt dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 maart 2022 in zaak nr. NL22.4016;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 400,00 over de periode van 8 tot en met 11 maart 2022, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.656,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022
47-922