Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 18 maart 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling…
ECLI:NL:RVS:2022:1458 · Raad van State · 23 mei 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2022-1458
Zaakgegevens
Op 23 mei 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 mei 2022
- Datum publicatie
- 23 mei 2022
- Zaaknummer
- 202103376/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2022:1458
Samenvatting
Bij besluit van 18 maart 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Uitspraak
202103376/1/V1.
Datum uitspraak: 23 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 30 april 2021 in zaak nr. 19/4794 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2019 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij besluit van 17 juni 2019, gewijzigd bij besluit van 8 december 2020, heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 april 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 17 juni 2019 en 8 december 2020 vernietigd, het besluit van 18 maart 2019 deels herroepen, bepaald dat een van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken per 24 maart 2015 en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Özkara, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in grief 5 terecht dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door een nieuwe intrekkingsdatum vast te stellen. Hij voert terecht aan dat de rechtbank daarmee niet heeft onderkend dat de staatssecretaris, indien hij nog altijd voornemens is om de verblijfsvergunningen in te trekken, opnieuw een belangenafweging moet maken en er daarbij rekening mee moet houden dat de vreemdeling tot 24 maart 2015 rechtmatig verblijf heeft gehad, in plaats van tot 19 januari 2008. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 17 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:787, onder 3. De grief slaagt.
2. Wat de vreemdeling in de overige grieven aanvoert leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij, zelf voorziend, het besluit van 18 maart 2019 heeft herroepen in zoverre dat de op 12 juni 2008 verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken met ingang van 24 maart 2015. De staatssecretaris zal een nieuw besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 30 april 2021 in zaak nr. 19/4794, voor zover zij zelf in de zaak heeft voorzien;
III. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2022
282-999