Vreemdelingenrecht
Bij besluit van 15 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat hij…
Raad van State, 25 januari 2022
ECLI:NL:RVS:2022:215 · Raad van State · 25 januari 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2022-215
Zaakgegevens
Op 25 januari 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 januari 2022
- Datum publicatie
- 25 januari 2022
- Zaaknummer
- 202104887/1/V1 en 202104889/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2022:215
Samenvatting
Bij besluit van 15 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat hij voor de vreemdelingen gezamenlijk een dwangsom verschuldigd is van € 665,00.
Uitspraak
202104887/1/V1 en 202104889/1/V1.
Datum uitspraak: 25 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 juli 2021 in zaken nrs. NL21.3858 en NL21.3859 in de gedingen tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2021 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat hij voor de vreemdelingen gezamenlijk een dwangsom verschuldigd is van € 665,00.
Bij uitspraken van 1 juli 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdelingen ieder afzonderlijk een dwangsom van € 665,00 verschuldigd is (in totaal € 1.330,00) en dat de uitspraken in de plaats treden van dat besluit.
Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraken van de rechtbank worden bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2022
716