Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 28 maart 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de…

Raad van State, 11 augustus 2022

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 augustus 2022
Datum publicatie
11 augustus 2022
Zaaknummer
202005460/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:2338
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 28 maart 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202005460/1/V1.

Datum uitspraak: 11 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] en [referent],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 september 2020 in zaak nr. 19/8250 in het geding tussen:

de vreemdeling en referent

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en referent, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling en referent hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.       Wat de vreemdeling en referent in grieven 1 en 4 aanvoeren, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       In grieven 2 en 3 klagen de vreemdeling en referent terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris het juiste kader heeft toegepast bij de beoordeling of er ‘more than the normal emotional ties’ bestaan tussen de vreemdeling en haar meerderjarige kinderen, van wie referent er één is, en of er hechte persoonlijke banden bestaan tussen de vreemdeling en haar minderjarige kleinkinderen. Hoewel de vreemdeling en referent onvoldoende hebben onderbouwd dat er ‘more than the normal emotional ties’ bestaan met de in Nederland verblijvende kinderen en hechte persoonlijke banden met haar eveneens in Nederland verblijvende kleinkinderen, mag de staatssecretaris namelijk niet meer volstaan met deze vaststelling. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris bij een beroep op artikel 8 van het EVRM altijd een belangenafweging moet verrichten. Dit heeft hij ten onrechte niet gedaan.

2.1.    De grieven slagen.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 1 oktober 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 september 2020 in zaak nr. 19/8250;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van 1 oktober 2019, V-[…];

V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling en referent in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Schuurman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2022.

282-954.