Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 14 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling opgedragen…

Raad van State, 15 augustus 2022

Zaakgegevens

Op 15 augustus 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 augustus 2022
Datum publicatie
12 augustus 2022
Zaaknummer
202204161/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:2347
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 14 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 5 juli 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:6698
  2. Raad van State · 15 augustus 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2022:2347

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202204161/1/V3.

Datum uitspraak: 15 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 juli 2022 in zaak nr. NL22.11497 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 5 juli 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat uit artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Vb 2000, volgt dat de staatssecretaris de vreemdeling een vertrektermijn kan onthouden als er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Dit hoeft dan in beginsel niet nader gemotiveerd te worden. Dat geldt in het bijzonder als de vreemdeling, zoals in dit geval, geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waarom hem alsnog een vertrektermijn moet worden gegund.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2022

644