Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Raad van State, 15 september 2022

Zaakgegevens

Op 15 september 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15 september 2022
Datum publicatie
15 september 2022
Zaaknummer
202205194/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:2701
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 23 augustus 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:8589
  2. Raad van State · 15 september 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2022:2701

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202205194/1/V1.

Datum uitspraak: 15 september 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] ,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 augustus 2022 in zaak nr. NL22.12377 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 23 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de kwaliteit van opvang in Nederland niet relevant is voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling bij overdracht aan Italië mogelijk terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Baldinger, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G. Kamminga, griffier.

w.g. Baldinger

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kamminga

griffier

941