Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 16 april 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een…

Raad van State, 26 oktober 2022

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26 oktober 2022
Datum publicatie
26 oktober 2022
Zaaknummer
202202662/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:3067
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 16 april 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202202662/1/V3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 7 april 2022 in zaak nr. NL21.7454 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 7 april 2022, gerectificeerd op 11 april 2022, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Petkovski, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het is namelijk aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar Soedan persoonlijk te vrezen heeft voor zijn familie of voor de Soedanese autoriteiten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hij dat niet heeft gedaan.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schipper

griffier

872-1017