Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 8 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Raad van State, 11 november 2022

Zaakgegevens

Op 11 november 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 november 2022
Datum publicatie
11 november 2022
Zaaknummer
202203901/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:3253
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 8 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202203901/1/V3.

Datum uitspraak: 11 november 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 juni 2022 in zaak nr. NL22.6417 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 22 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Sinnema, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum van de vreemdeling (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2659). Niet is gebleken dat in Italië meerdere geboortedata van de vreemdeling zijn geregistreerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3743, onder 5.1). Verder blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van maart 2021 niet dat alleen familieleden de vreemdeling kunnen helpen bij het aanvragen van een geboortebewijs vanuit het buitenland. De staatssecretaris hoefde daarom geen aanvullend leeftijdsonderzoek te doen.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2022

873