Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in…

Raad van State, 20 december 2022

Zaakgegevens

Op 20 december 2022 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20 december 2022
Datum publicatie
19 december 2022
Zaaknummer
202206013/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2022:3819
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 12 oktober 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:15004
  2. Raad van State · 20 december 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2022:3819

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202206013/1/V3.

Datum uitspraak: 20 december 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 oktober 2022 in zaak nr. NL22.16517 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat onduidelijk was of het Openbaar Ministerie (hierna: OM) akkoord was gegaan met het uitzetten van de vreemdeling. In dit geval was er een uitzettingsdatum bekend, waardoor de staatssecretaris gehouden was om contact te zoeken met het OM. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 12 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:293, onder 3.2 en 3.3. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat hij dat heeft gedaan. De desbetreffende brief aan het OM was echter niet tijdig aan het dossier toegevoegd. De rechtbank kon daarom niet controleren of was voldaan aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 en daarmee of zicht op uitzetting niet ontbrak.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2022

873-1017