Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 7 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in…

Raad van State, 26 april 2023

Zaakgegevens

Op 26 april 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26 april 2023
Datum publicatie
26 april 2023
Zaaknummer
202301705/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:1610
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 7 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 10 maart 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:3068
  2. Raad van State · 26 april 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:1610

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202301705/1/V3.

Datum uitspraak: 26 april 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 maart 2023 in zaak nr. NL23.4322 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 10 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 10 maart 2023 bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.J. Janse, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling klaagt in zijn enige grief terecht dat op het moment dat hij in bewaring werd gesteld — krachtens artikel 59a van de Vw 2000 — geen concreet aanknopingspunt aanwezig was voor een Dublinoverdracht naar Duitsland, omdat evident was dat de overdrachtstermijn die op 6 februari 2017 tussen Nederland en Duitsland was gaan lopen toen al was verstreken. De klacht leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft er in haar uitspraak namelijk terecht op gewezen dat uit de toelichting van de staatssecretaris op de gronden van de maatregel volgt dat er op dat moment wel een concreet aanknopingspunt was voor een Dublinoverdracht naar Slovenië. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig was. De grief faalt daarom.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M.J.B. A Campo, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. A Campo

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023

907