Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 9 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Zaakgegevens

Op 8 mei 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
8 mei 2023
Datum publicatie
8 mei 2023
Zaaknummer
202302674/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:1765
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 9 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 21 april 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:6867
  2. Raad van State · 8 mei 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:1765

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202302674/1/V3.

Datum uitspraak: 8 mei 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 april 2023 in zaak nr. NL23.7348 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 21 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Nijholt, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak namelijk terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672. Uit deze uitspraak blijkt dat de criteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening niet van toepassing zijn op een verzoek tot terugname. De vreemdeling kan daarom in de onderhavige procedure geen beroep doen op artikel 10 van de Dublinverordening. Dat is alleen anders indien zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening, maar dat is hier niet het geval. Verder heeft de rechtbank terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2484. Daaruit volgt dat in de Dublinprocedure niet aan artikel 8 van het EVRM wordt getoetst omdat deze procedure niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij familie- of gezinsleden kan worden verkregen.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Gelet op wat onder 1 is overwogen, kan er redelijkerwijs ook geen twijfel bestaan over het antwoord op de door de vreemdeling in grief 2 opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2023

873