Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 13 maart 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de…

Raad van State, 30 juni 2023

Zaakgegevens

Op 30 juni 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 juni 2023
Datum publicatie
30 juni 2023
Zaaknummer
202205769/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:2527
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 13 maart 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.

Uitspraak

202205769/1/V1.

Datum uitspraak: 30 juni 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 6 september 2022 in zaak nr. 21/7185 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2020 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft.

Bij besluit van 12 november 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.N. Arikan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 9 december 2022 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 13 maart 2020 gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat hij bij besluit van 9 december 2022 opnieuw op het bezwaar van de vreemdeling heeft besloten. In dat besluit heeft hij alsnog vastgesteld dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 en dat daarom geen aanleiding meer bestaat voor een verwijderingsmaatregel. Daarmee heeft de vreemdeling het doel van deze procedure bereikt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.

2.       Desondanks moet de Afdeling vaststellen of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de staatssecretaris aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als de vreemdeling op een andere manier door toedoen van de staatssecretaris geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep. Die aanleiding bestaat niet in deze zaak. De Afdeling rekent het vervallen van het belang van de vreemdeling bij een uitspraak op het hoger beroep niet aan de staatssecretaris toe, omdat hij aan het besluit van 9 december 2022 ten grondslag heeft gelegd wat de vreemdeling en zijn ouders na de uitspraak van de rechtbank alsnog hebben aangevoerd en overgelegd.

3.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Jongeneel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2023

958