Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 29 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van referent…

Raad van State, 11 juli 2023

Zaakgegevens

Op 11 juli 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 juli 2023
Datum publicatie
11 juli 2023
Zaaknummer
202106767/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:2646
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 29 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van referent om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 5 oktober 2021

    ECLI:NL:RBDHA:2021:11089
  2. Raad van State · 11 juli 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:2646

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202106767/1/V2.

Datum uitspraak: 11 juli 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[referent],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 oktober 2021 in zaak nr. 21/656 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van referent om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 oktober 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de financiële situatie van de zus van referent op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt, dat de houdbaarheid van haar garantverklaring evenmin vaststaat en dat geenszins is gebleken dat referent reeds de beschikking heeft over door zijn zus verstrekte aanvullende inkomsten. In hoger beroep heeft referent hierover ook geen duidelijkheid gegeven.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2023

551-984