Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 23 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van…

Zaakgegevens

Op 27 juli 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27 juli 2023
Datum publicatie
1 augustus 2023
Zaaknummer
202206254/1/V6
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:2919
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 23 augustus 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Midden-Nederland · 21 september 2022

    ECLI:NL:RBMNE:2022:4135
  2. Raad van State · 27 juli 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:2919

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202206254/1/V6.

Datum uitspraak: 27 juli 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2022 in zaak nr. 22/1210 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Openbare zitting gehouden op 27 juli 2023 om 10:30 uur.

Tegenwoordig:

staatsraad: mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer,

griffier: mr. A.E. de Ruijter.

Verschenen:

[appellant], bijgestaan door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht;

de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. Houben.

Bij besluit van 23 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 7 januari 2022 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen deze uitspraak.

De Afdeling:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Daartoe overweegt zij het volgende.

De Afdeling kan zich vinden in de uitspraak van de rechtbank. [appellant] heeft aangevoerd dat de rechtbank zijn medische omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen. Hij heeft deze medische omstandigheden echter onvoldoende onderbouwd met stukken. Het uitgangspunt is dat de staatssecretaris ervan uit mag gaan dat de strafrechter de omstandigheden die hebben geleid tot het plegen van het misdrijf al heeft meegewogen. De Afdeling ziet in alles wat is aangevoerd niet waarom de staatssecretaris de straf die de strafrechter hem heeft opgelegd niet als uitgangspunt kon nemen.

Hetzelfde geldt voor het betoog van [appellant] dat de straf hoger is uitgevallen vanwege recidive. Ook dat behoort tot de beoordeling van de strafrechter. Bovendien ziet de Afdeling geen reden voor de staatssecretaris om vanwege eventuele recidive tot de conclusie te komen dat geen sprake is van ernstige vermoedens dat [appellant] een gevaar oplevert voor de openbare orde.

Dat [appellant] vanwege de rehabilitatietermijn langer moet wachten om Nederlander te worden, is geen reden om anders te oordelen. Dat is namelijk niet zo een bijzondere omstandigheid dat de staatssecretaris in afwijking van zijn beleid het verzoek had moeten inwilligen.

Dit betekent dat het hoger beroep ongegrond is. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Ruijter

griffier

887