Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 9 september 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in…

Zaakgegevens

Op 9 augustus 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
9 augustus 2023
Datum publicatie
9 augustus 2023
Zaaknummer
202005197/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:3049
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 9 september 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Uitspraak

202005197/1/V3.

Datum uitspraak: 9 augustus 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Dordrecht, van 17 september 2020 in zaak nr. NL20.16688 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2020 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 17 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag van een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel heeft de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening niet opgeschort. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2593, onder 5. De rechtbank heeft gelet daarop terecht overwogen dat de uiterste overdrachtstermijn was verstreken ten tijde van het opleggen van de maatregel, waardoor de staatssecretaris een verkeerde grondslag heeft gebruikt voor de bewaring (artikel 59a van de Vw 2000).

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. Soffers

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2023

873