Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 5 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de…

Raad van State, 5 september 2023

Zaakgegevens

Op 5 september 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
5 september 2023
Datum publicatie
4 september 2023
Zaaknummer
202205338/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:3357
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 5 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 18 augustus 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:8492
  2. Raad van State · 5 september 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:3357

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202205338/1/V1.

Datum uitspraak: 5 september 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 augustus 2022 in zaak nr. NL21.20377 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. van Werven, advocaat te Gouda, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 18 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1648, onder 4.1, over de redelijkheid van het beleid in paragraaf B7/2.1.1 van de Vc 2000). Het hoger beroep biedt geen reden hier in dit geval anders over te oordelen.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

3.      

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Kuijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Goeverden-Clarenbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2023

488-1078