Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 25 augustus 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de…

Zaakgegevens

Op 19 september 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19 september 2023
Datum publicatie
19 september 2023
Zaaknummer
202201585/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:3516
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 25 augustus 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202201585/1/V3.

Datum uitspraak: 19 september 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2022 in zaak nr. NL21.5717 in het geding tussen:

de vreemdeling en referent

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling en referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en referent ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en referent, vertegenwoordigd door mr. M.L. van Riel, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat tussen de vreemdeling en referent geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Zij heeft daarbij, anders dan de vreemdeling en referent in hoger beroep betogen, de verklaringen en de overgelegde stukken in onderlinge samenhang beoordeeld.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schipper

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 september 2023

872