Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van de…

Zaakgegevens

Op 5 oktober 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
5 oktober 2023
Datum publicatie
5 oktober 2023
Zaaknummer
202206653/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:3718
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:11416
  2. Raad van State · 5 oktober 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:3718

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202206653/1/V2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 oktober 2022 in zaak nr. NL22.10488 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Bij besluit van 6 mei 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 28 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de staatssecretaris het juiste toetsingskader heeft toegepast. Anders dan de vreemdeling in de eerste grief betoogt, kan hij geen geslaagd beroep doen op de uitspraken van de Afdeling van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:665, en 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:994. In deze uitspraken gaat het namelijk om een nationaalrechtelijke ongewenstverklaring in de zin van artikel 67 van de Vw 2000 die na de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn moet worden aangemerkt als inreisverbod in de zin van artikel 11 van die richtlijn. De vreemdeling is een Unieburger. De Terugkeerrichtlijn is alleen van toepassing op derdelanders en niet op Unieburgers, anders dan de vreemdeling betoogt. Wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De eerste grief faalt.

2.       Ook de tweede grief faalt. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

4.      

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Kesteren

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2023

897-1048