Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 6 november 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Zaakgegevens

Op 8 november 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
8 november 2023
Datum publicatie
8 november 2023
Zaaknummer
202201688/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:4103
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 6 november 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 17 februari 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:1430
  2. Raad van State · 8 november 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:4103

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202201688/1/V2.

Datum uitspraak: 8 november 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 17 februari 2022 in zaak nr. 18/9910 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 13 december 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de omstandigheid dat een vreemdeling niet door een BMA-arts is onderzocht, niet tot het oordeel leidt dat het onderzoek reeds hierom onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom zij, gelet op haar individuele medische situatie, in persoon had moeten worden onderzocht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3932, onder 5.1).

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bossmann

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023

314-984