Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 20 augustus 2020 heeft de minister van Buitenlandse Zaken aanvragen van de vreemdeling en…

Zaakgegevens

Op 28 november 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28 november 2023
Datum publicatie
27 november 2023
Zaaknummer
202107273/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:4376
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluiten van 20 augustus 2020 heeft de minister van Buitenlandse Zaken aanvragen van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen om hun visa voor kort verblijf te verlenen, afgewezen

Uitspraak

202107273/1/V1.

Datum uitspraak: 28 november 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] mede voor haar minderjarige kinderen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 november 2021 in zaak nr. 21/415 in het geding tussen:

de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kinderen,

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluiten van 20 augustus 2020 heeft de minister aanvragen van de vreemdeling en haar minderjarige kinderen om hun visa voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 14 januari 2021 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kinderen, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kinderen, ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kinderen en vertegenwoordigd door mr. A. Orhan, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een nader stuk ingediend. Daarop heeft de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kinderen, gereageerd.

Overwegingen

1.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2042, onder 6.2) staat hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een zogenoemd faciliterend visum als een onderdaan van een derde land, die familielid is van een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer en verblijf, het voornemen heeft zich bij deze burger te voegen of hem of haar te begeleiden naar een lidstaat voor een verblijf voor meer dan drie maanden.

2.       Uit de aanvragen van de Iraakse vreemdelingen blijkt dat zij het voornemen hebben zich bij een Brits onderdaan te voegen voor een verblijf van 90 dagen. De uitspraak van de rechtbank gaat daarom over visa voor een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen. Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (zie artikel 84, aanhef en onder b, van de Vw 2000).

3.       De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2023

382-1046