Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 23 april 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Zaakgegevens

Op 29 november 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29 november 2023
Datum publicatie
29 november 2023
Zaaknummer
202201023/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:4432
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 23 april 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 19 januari 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:392
  2. Raad van State · 29 november 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:4432

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202201023/1/V2.

Datum uitspraak: 29 november 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 19 januari 2022 in zaak nr. 19/8014 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Bouyaghjdane, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de staatssecretaris, bij zijn beoordeling of Nederland voor de vreemdeling het meest aangewezen land is als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen aan de feiten en omstandigheden van na de terugkeer van de vreemdeling naar Nederland in 1994. Als de vreemdeling vindt dat hij mede vanwege die feiten en omstandigheden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier, dan staat het hem vrij om een aanvraag in te dienen op grond van het recht op privéleven bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Bossmann

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2023

314-992