Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 29 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdelingen in…

Zaakgegevens

Op 1 maart 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
1 maart 2023
Datum publicatie
1 maart 2023
Zaaknummer
202206344/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:802
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluiten van 29 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdelingen in bewaring gesteld.

Uitspraak

202206344/1/V3.

Datum uitspraak: 1 maart 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1], [vreemdeling 2], [vreemdeling 3] en [vreemdeling 4],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 oktober 2022 in zaken nrs. NL22.19625, NL22.19626, NL22.19627 en NL22.19629 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 29 september 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdelingen in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 31 oktober 2022 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Ongeacht de reden voor het vertrek van de vreemdelingen uit het asielzoekerscentrum in Den Helder op 5 augustus 2022, blijkt uit de motivering van de maatregelen van bewaring dat zij pas op 8 augustus 2022 weer in de opvang in Ter Apel zijn opgenomen. De vreemdelingen zijn dus meerdere dagen uit het zicht van de staatssecretaris geweest. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de vreemdelingen met onbekende bestemming vertrokken zijn, zodat hun rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m, van de Vw 2000 is geëindigd.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vonk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2023

345-982