Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 28 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in…

Zaakgegevens

Op 8 april 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
8 april 2024
Datum publicatie
8 april 2024
Zaaknummer
202401850/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:1445
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 28 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 15 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 15 maart 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:3869
  2. Raad van State · 8 april 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:1445

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202401850/1/V3.

Datum uitspraak: 8 april 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 maart 2024 in zaak nr. NL24.9607 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 15 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de maatregel van bewaring pas in werking is getreden op het moment dat deze werd uitgereikt (uitspraken van de Afdeling van 12 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2278, onder 4.3 en van 2 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4066, onder 3).

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Buntjer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2024

962