Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in…

Zaakgegevens

Op 29 april 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29 april 2024
Datum publicatie
25 april 2024
Zaaknummer
BRS.24.000025
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:1751
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 februari 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:2741
  2. Raad van State · 29 april 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:1751

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

BRS.24.000025

Datum uitspraak: 29 april 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling]

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 februari 2024 in zaak nr. NL24.3269 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.A. Madern, advocaat te Diemen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 2, 3 en 6 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L Dallinga, griffier.

w.g. de Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2024

18-1102