Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om de vreemdeling een…

Zaakgegevens

Op 26 april 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26 april 2024
Datum publicatie
26 april 2024
Zaaknummer
202402162/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:1757
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag om de vreemdeling een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 28 juni 2023 heeft de minister van Buitenlandse Zaken het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 28 maart 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:4902
  2. Raad van State · 26 april 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:1757

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202402162/1/V3.

Datum uitspraak: 26 april 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 maart 2024 in zaak nr. NL23.19947 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft de minister een aanvraag om de vreemdeling een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2023 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 9 tot en met 10.1 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2024

846-1111