Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 18 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in…

Zaakgegevens

Op 22 januari 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 januari 2024
Datum publicatie
22 januari 2024
Zaaknummer
202307802/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:194
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 18 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 18 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

202307802/1/V3.

Datum uitspraak: 22 januari 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 december 2023 in zaak nr. NL23.30174 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 18 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling klaagt namelijk dat de rechtbank, door ruim twaalf weken na het instellen van het beroep uitspraak op dat beroep te doen, in strijd heeft gehandeld met artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de bewaring al op 29 september 2023 was opgeheven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, verplicht artikel 5, vierde lid, van het EVRM alleen om spoedig te beslissen indien de bewaring voortduurt (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3378, onder 2.3.2).

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2024

846-1058