Vreemdelingenrecht

Bij brief van 11 april 2021 heeft de SUG de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzocht om twee…

Zaakgegevens

Op 29 mei 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29 mei 2024
Datum publicatie
29 mei 2024
Zaaknummer
202302275/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:2207
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij brief van 11 april 2021 heeft de SUG de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzocht om twee volgens de SUG illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen ongewenst te verklaren, te bepalen dat zij Nederland onmiddellijk moeten verlaten en hen uit te zetten. Bij brief van 30 april 2021 heeft de staatssecretaris aan de SUG meegedeeld dat de brief van 11 april 2021 geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 8 maart 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:4976
  2. Raad van State · 29 mei 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:2207

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202302275/1/V1.

Datum uitspraak: 29 mei 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de Stichting Uitbanning Genocide (hierna: de SUG),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 maart 2023 in zaak nr. 21/3611 in het geding tussen:

de [de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij brief van 11 april 2021 heeft de SUG de staatssecretaris verzocht om twee volgens de SUG illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen ongewenst te verklaren, te bepalen dat zij Nederland onmiddellijk moeten verlaten en hen uit te zetten.

Bij brief van 30 april 2021 heeft de staatssecretaris aan de SUG meegedeeld dat de brief van 11 april 2021 geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is.

Bij brief van 1 mei 2021 heeft de SUG bezwaar gemaakt tegen de besluiten van de staatssecretaris tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan de vreemdelingen.

Bij besluit van 20 mei 2021 heeft de staatssecretaris dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 18 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het door de SUG tegen de brief van 30 april 2021 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2023 heeft de rechtbank het tegen deze besluiten door de SUG ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover rechtstreeks beroep openstond en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de SUG hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Wilde

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2024

598