Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 7 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de…

Zaakgegevens

Op 30 mei 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30 mei 2024
Datum publicatie
30 mei 2024
Zaaknummer
202206049/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:2249
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 7 december 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen en bepaald dat de vreemdeling geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Bij besluit van 13 september 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak

202206049/1/V2.

Datum uitspraak: 30 mei 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 28 september 2022 in zaak nr. 21/5505 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen en bepaald dat de vreemdeling geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU.

Bij besluit van 13 september 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft onder meer terecht zonder terughoudendheid getoetst of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken en enigszins terughoudend getoetst of de uitkomst van die afweging getuigt van een ‘fair balance’. Daarmee heeft de rechtbank de juiste toetsingsintensiteit gehanteerd. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 tot en met 6.2.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Iedema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2024

915-1021