Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 5 mei 2024 heeft de staatssecretaris een eerder genomen terugkeerbesluit aangevuld en de…

Zaakgegevens

Op 27 juni 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27 juni 2024
Datum publicatie
27 juni 2024
Zaaknummer
202403218/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:2630
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluiten van 5 mei 2024 heeft de staatssecretaris een eerder genomen terugkeerbesluit aangevuld en de vreemdeling in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 16 mei 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:7717
  2. Raad van State · 27 juni 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:2630

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202403218/1/V3

Datum uitspraak: 27 juni 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 mei 2024 in zaak nr. NL24.19562 en NL24.19589 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 5 mei 2024 heeft de staatssecretaris een eerder genomen terugkeerbesluit aangevuld en de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 16 mei 2024 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit. Ook heeft zij het beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3, 4, 6 en 11 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2024

644-1058