Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 22 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van de…

Zaakgegevens

Op 29 juli 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29 juli 2024
Datum publicatie
29 juli 2024
Zaaknummer
202206322/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:3056
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 22 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan beëindigd. Bij besluit van 4 juni 2020 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

Uitspraak

202206322/1/V3.

Datum uitspraak: 29 juli 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 oktober 2022 in zaak nr. 21/3351 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan beëindigd. Bij besluit van 4 juni 2020 heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

Bij besluit van 4 juni 2021 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A.M. Karsten, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 3, 5.1 en 5.2 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Meurs-Heuvel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2024

47