Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 11 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een inreisverbod tegen…

Zaakgegevens

Op 2 augustus 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
2 augustus 2024
Datum publicatie
2 augustus 2024
Zaaknummer
202302815/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:3152
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 11 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 5 april 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:4792
  2. Raad van State · 2 augustus 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:3152

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202302815/1/V3.

Datum uitspraak: 2 augustus 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 april 2023 in zaak nr. NL21.18669 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

Bij uitspraak van 5 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.H. Hekman, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister zich bij het uitvaardigen van het zware inreisverbod deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister aan het algemene belang gediend door de Nederlandse overheid niet ten onrechte meer gewicht heeft toegekend dan aan de persoonlijke belangen van de vreemdeling.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Schipper-Spanninga

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2024

18-1058