Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 1 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling in bewaring gesteld.

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
7 oktober 2024
Datum publicatie
4 oktober 2024
Zaaknummer
202405842/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4020
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 1 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de vreemdeling in bewaring gesteld.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 12 september 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:14532
  2. Raad van State · 7 oktober 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:4020

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202405842/1/V3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 september 2024 in zaak nr. NL24.34191 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2024 heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 12 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 9 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2024

846-1111