Vreemdelingenrecht
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht de minister van…
Raad van State, 28 oktober 2024
ECLI:NL:RVS:2024:4335 · Raad van State · 28 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/raad-van-state/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-rvs-2024-4335
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Raad van StateRaad van StateDe hoogste algemene bestuursrechter, onder meer voor omgevingsrecht en vreemdelingenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2024
- Datum publicatie
- 28 oktober 2024
- Zaaknummer
- 202404121/1/V1
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2024:4335
Samenvatting
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling bestuursrechtspraak verzocht de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 10 juni 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:9723Raad van State · 28 oktober 2024deze uitspraak
ECLI:NL:RVS:2024:4335
Overig
Uitspraak
202404121/1/V1.
Datum uitspraak: 28 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)).
Procesverloop
Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. E. Berger, advocaat te Zwolle, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2024, in zaak nr. NL24.13906.
Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de minister krachtens artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1).
2. De minister heeft bij besluit van 30 september 2024 een aanvraag van verzoeker van 10 augustus 2023 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125 en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 en WBV 2023/3 de beslistermijn met negen maanden heeft mogen verlengen. Op deze prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. De Afdeling is, gelet op wat zij in de uitspraak van 8 november 2023 onder 22 tot en met 25 heeft overwogen, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de minister met WBV 2023/3 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De minister heeft binnen een termijn van vijftien maanden na indiening van de aanvraag een besluit genomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. Het verzoek dient te worden afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W. de Lange, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Lange
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2024
999