Vreemdelingenrecht

Bij besluiten van 2 augustus 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van de vreemdelingen om…

Raad van State, 13 november 2024

Zaakgegevens

Op 13 november 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 november 2024
Datum publicatie
13 november 2024
Zaaknummer
202406487/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4582
E-mail

Samenvatting

Bij besluiten van 2 augustus 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 16 oktober 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:17091
  2. Raad van State · 13 november 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:4582

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202406487/1/V3.

Datum uitspraak: 13 november 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en [vreemdeling 3], [vreemdeling 4] en [vreemdeling 5],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 oktober 2024 in zaken nrs. NL24.30542, NL24.30544, NL24.30546, NL24.30548 en NL24.30550 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluiten van 2 augustus 2024 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. R.E. Temmen, advocaat in Bergen op zoom, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat bij de Dublinoverdracht van de vreemdelingen aan Tsjechië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. De Afdeling neemt de motivering onder 7 en 9 van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024

18-1111