Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 20 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de…

Raad van State, 2 december 2024

Zaakgegevens

Op 2 december 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
2 december 2024
Datum publicatie
2 december 2024
Zaaknummer
202304287/1/V3
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4930
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 20 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 5 juli 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:18462
  2. Raad van State · 2 december 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:4930

    Niet ontvankelijk

Uitspraak

202304287/1/V3.

Datum uitspraak: 2 december 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 juli 2023 in zaak nr. NL23.12063 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 5 juli 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.C.M. van der Mark, advocaat in Goes, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.       Nadat de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld, heeft de minister haar asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. De vreemdeling heeft onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep, omdat zij heeft bereikt wat zij met haar hoger beroep beoogt doordat de minister haar asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253, onder 2).

2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

3.       Niettemin moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen. Anders dan de minister betoogt, is hij in dit geval niet louter als gevolg van tijdsverloop verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de aanvraag. De minister is al eerder verantwoordelijk geworden, namelijk doordat hij het overnameverzoek niet tijdig heeft verstuurd (uitspraak van de Afdeling van 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3569, onder 9-9.2). De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in dit geval in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Sevenster

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2024

846