Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft de staatssecretaris het verzoek van de vreemdeling om heroverweging van…

Zaakgegevens

Op 11 januari 2024 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11 januari 2024
Datum publicatie
11 januari 2024
Zaaknummer
202302550/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:54
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft de staatssecretaris het verzoek van de vreemdeling om heroverweging van het besluit van 25 april 2019, waarbij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingetrokken, afgewezen.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 27 maart 2023

    ECLI:NL:RBDHA:2023:4392
  2. Raad van State · 11 januari 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2024:54

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202302550/1/V2.

Datum uitspraak: 11 januari 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 maart 2023 in zaak nr. NL22.19929 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft de staatssecretaris het verzoek van de vreemdeling om heroverweging van het besluit van 25 april 2019, waarbij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingetrokken, afgewezen.

Bij uitspraak van 27 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.J. van der Graaf, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.          Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering van de uitspraak van de rechtbank over.

1.1        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.          Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. N. Verheij en

mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2024

363-1065