Vreemdelingenrecht

Bij besluit van 26 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd…

Raad van State, 17 maart 2025

Zaakgegevens

Op 17 maart 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17 maart 2025
Datum publicatie
13 maart 2025
Zaaknummer
BRS.25.000058
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1065
E-mail

Samenvatting

Bij besluit van 26 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 17 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond en de minister opgedragen de vreemdeling schadeloos te stellen.

Uitspraak

BRS.25.000058

ECLI:NL:RVS:2025:1065

Datum uitspraak: 17 maart 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haagvan 17 januari 2025 in zaak nr. NL24.51991 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 26 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 17 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond en de minister opgedragen de vreemdeling schadeloos te stellen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.E. Muller, advocaat in Gouda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van de vreemdeling geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.

1.1.De grief slaagt.

2.Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.verklaart het hoger beroep gegrond;

II.vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2025 in zaak nr. NL24.51991;

III.verklaart het beroep ongegrond;

IV.wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kraak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2025

1020

Verzonden: 17 maart 2025