Vreemdelingenrecht

Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een…

Raad van State, 21 maart 2025

Zaakgegevens

Op 21 maart 2025 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21 maart 2025
Datum publicatie
20 maart 2025
Zaaknummer
202400182/1/V1
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:1197
E-mail

Samenvatting

Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Bij uitspraak van 11 december 2023 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.

Uitspraak

202400182/1/V1.

Datum uitspraak: 21 maart 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2023 in zaak nr. NL23.33516 in het geding tussen:

referent

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Referent heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.

Bij uitspraak van 11 december 2023 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.

Tegen deze uitspraak heeft referent, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat in Dalfsen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over rechtsvragen die eerder door de Afdeling zijn beantwoord (uitspraken van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2644, onder 5.4, 6 en 7, over de beslistermijn die de rechter oplegt bij een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een nareisaanvraag, en ECLI:NL:RVS:2024:2642, onder 2.3, over de vraag wanneer deze beslistermijn ingaat). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Verbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2025

574-1060